De Johnstone lori
Algemeen:
De Johnstone lori, ook wel de Mount Apo Lori genoemd, is al jaren een grote rariteit. Ondanks dat de Johnstone lori lid is van de bekende Trichoglossus familie, hebben toch vele liefhebbers deze vogel nog nooit levend gezien. Om een idee te krijgen hoe de Johnstone lori eruit ziet kan men hem een beste vergelijken met een Iris lori (Trichoglossus i.iris).
Het is een middelgrote vogel met een lengte van 15-20 cm en een overwegend groene kleur. De bovenste oordekveren en het voorste gedeelte van de wangen zijn rose-rood. De kleurintensiteit verschilt per vogel. De Johnstone lori heeft net als de Iris lori een paarse band, al loopt deze bij de Johnstone lori van onder ogen naar het achterhoofd in plaats van onder de ogen naar de nek. De onderste oordekveren zijn groengeel. De bevedering van de onderbuik is geel geschubd. Zowel de ondervleugel als de onderstaart zijn geelgroen van kleur. Er is een gele band zichtbaar aan de onderzijde van de vleugels. De bovenzijde van de staart is groen en de onderzijde is olijfgeel. Zoals bijna alle vertegenwoordigers van de Trichoglossus familie heeft ook de Johnstone lori een oranje snavel en grijze poten. De man en pop zijn gelijk van kleur.
Er is een ondersoort bekend van de Johnstone lori: de Trichoglossus j.pistra. Het voornaamste verschil is de diepere kleurintensiteit van het rood op het voorhoofd en masker, en de paarse band welke donkerder blauwbruin.
De Johnstone lori bewoont de wouden op de Mindanao- en Philipijnse eilanden. Hij komt daar tot op een hoogte tussen 1000 en 2500m voor.
Hun populatie wordt geschat op 6000 tot 8000 vogels, en hun aantal vermindert snel.
Eigen ervaringen:
Zoals al eerder aangegeven is de Johnstone lori een van de meest zeldzame loris in avicultuur. Voor zover bekend is de nominaat vorm de enige soort welke we bij enkele liefhebbers kunnen tegenkomen. W. Goodfellow was de naam van de persoon die de eerste Johnstone lori’s naar een Mrs. Johnstone in Engeland stuurde in 1903. De volgende decennia werden er geen vogels meer geïmporteerd in Europa of Amerika.
San Diego had de eerste kweekresultaten in 1941, 1971 en de daaropvolgende jaren werden er opnieuw kweekresultaten behaald. Sinds die tijd zijn er ook enkele vogels terechtgekomen bij liefhebbers in Duitsland.
In België en Nederland duurde het tot 1995 voordat de eerste kleine aantallen vogels geïmporteerd werden. Dit zou een probleem kunnen opleveren voor de toekomst. Omdat deze vogels mogelijk maar van een paar kweekkoppels afkomen is de kans op inteelt groot.
Omdat de Johnstone lori geen grote vogel is, kan deze zowel in een volière als grotere kweekbak gehouden worden. Een volière met een afmeting van 1.5m x 2m x 0.7m is natuurlijk ideaal, maar het is ook goed mogelijk deze vogel in een kweekbak van 1.5m x 0.7m x 0.7m te houden. Hij heeft een aangename roep welke niet storend is.
Ze kunnen agressief worden tegen andere vogels zodat het aan te bevelen is ze afzonderlijk te huisvesten.
Johnstone lori’s houden van warmte, dus het verdiend aanbeveling ze boven de 15 ° C te houden. Ze hebben geen speciaal aangepaste voeding nodig. Een samenstelling zoals ook aan de grotere soorten wordt gegeven is voldoende.
Eigen ervaringen
We hebben ons koppel in 1997 gekocht. Ze waren samen met twee andere koppels geïmporteerd van DIOS (een groot kweekstation). Een van deze twee koppels werd door een vriend van ons gekocht, waar het derde koppel naartoe is gegaan is onbekend.
De vogels waren in uitstekende conditie en ze werden direct in een grote kweekbak ondergebracht. De afmetingen van deze kweekbak waren: 1.2m x 0.5m x 0.5m. De temperatuur in onze volière kwam nooit onder de 15 °C en ze voelden zich dan ook snel op hun gemak. Ze kregen dezelfde voeding als wij ook aan onze grotere soorten gaven. Deze bestond uit een variëteit aan groenten en fruit, honing en verse pollen. Het was geen enkel probleem ze aan deze voeding te laten gewennen.
We plaatsten gelijk een broekblok in de kooi zodat ze de nachten daarin konden doorbrengen. Het was een zelfgemaakte blok, gemaakt van multiplex en afmetingen van 25cm x 15cm x 15cm en een invlieggat van 5 cm. Houtkrul werd als nestmateriaal gebruikt. Nadat we de blok in de kooi hadden gehangen werd deze al snel door de vogels geïnspecteerd en uiteindelijk goed gekeurd.
In het begin brachten zij, zoals verwacht alleen de nachten gezamenlijk door in de blok maar na 2 maanden bleef het popje ook een groot deel van de dag alleen in de blok achter. Tot onze grote verbazing had ze twee eieren gelegd. Tien dagen later waren we in staat te zien dat deze bevrucht waren. Het popje broedde 21 dagen voordat het eerste ei uitkwam. Het tweede ei volgde de dag daarna. Beide kuikens waren bedekt met witte dons. Dit bleef als een warme deken gehuld totdat ze ongeveer twee weken oud waren. Daarna veranderde deze in grijs.
Met drie weken begonnen de eerste kleine veertjes te voorschijn te komen op de kop en vleugels. Het was dan ook tijd om de vogels te ringen. Omdat niets bekend was over welke maat we moesten gebruiken, kozen we een 5,5 mm. Wat opviel was dat de jongen zeer traag groeiden, ondanks dat de ouders voortreffelijk voederden en zorgden dat de krop nooit leeg was. Typisch was dat ze bij het grootvoeren bijna alleen het dikkere gedeelte van de pap gebruikten. Daardoor was het dan ook een smeerboel rondom de voerschotel.
De jongen waren inmiddels vier weken oud en de kop begon al duidelijk te verraden dat het hier om Johnstone lori’s ging al bleef de rest van de bevedering grotendeels nog gehuld in een grijze dons. Niet lang hierna zagen we een bijna explosieve groei in een tijdsbestek van twee weken. Met zes weken zagen de jongen er bijna zo uit als hun ouders. Ze waren eigenlijk zelfs mooier omdat hun bevedering zo zacht was als zijde.
De daaropvolgende weken was er weinig verandering zichtbaar aan de jongen. Het was weer opvallend dat de jongen een zeer lange periode in de blok bleven ondanks dat ze al volledig bevederd waren. Uiteindelijk waren ze bijna 10 weken oud toen ze het nest voorzichtig verlieten. Nu konden we ze aanschouwen, zittende tussen hun ouders.
Soms zat een van de jongen met één van de ogen dicht alsof hij nog niet uitgeslapen was! Gelukkig verdween dit altijd snel. Zoals bijna het volledige opgroeiproces verliep ook het zelfstandig worden zeer traag. Pas drie weken na het uitvliegen vertrouwde we het de jongen af te pakken en alleen onder te brengen in een andere kooi. De eerste dag aten de jongen niet en toen ze ook al een groot gedeelte van de tweede dag niet wilden eten, besloten we ze terug te plaatsen bij hun ouders. Opvallend genoeg accepteerden de ouders hun jongen direct en konden we opgelucht adem halen. Drie weken verstreken voordat we een nieuwe poging konden wagen om ze opnieuw afzonderlijk te plaatsen, gelukkig ging het nu wel goed.
We waren nog niet bekomen van dit vroege en plotselinge succes, toen we opnieuw twee eieren vonden. Slechts een ei kwam uit, maar het volgende proces verliep bijna gelijk als het eerste.
De eerste jongen waren inmiddels 7 maanden oud en dus werd het tijd om de vogels te laten endoscopieren. Het bleken beide popjes te zijn. Nog steeds waren ze in goede conditie maar een paar maanden later zagen we plots dat een van beide vogels niet goed zat. Zij had al haar veren opgezet en zat met haar kopje tussen de veren. Het duurde slechts enkele dagen voordat we het popje dood op de grond vonden. Autopsie gaf later geen duidelijke oorzaak aan van dit plotselinge overlijden. Er waren geen sporen van infecties of ziektes. Dus moesten we maar aannemen dat we pech hadden gehad. Maar een paar weken later begon de tweede vogel dezelfde symptomen te krijgen, en wat we vreesde gebeurde: dit popje stierf ook. Ook nu was bij de autopsie niets te vinden.
Onze hoop was nu gevestigd op het derde jong wat inmiddels het nest had verlaten, maar dit was vergeefs. Slechts enkele weken nadat we het jong apart hadden gezet stierf het.
Onze vriend had inmiddels ook jongen met zijn koppel, ook bij hem groeide de jongen zeer traag en ook bij hem stierf het enkele weken nadat het apart was gezet.
Er moest wel een verband bestaan tussen het sterven van onze jongen en die van onze vriend. Beide koppels kwamen uit een zending van DIOS. Onze vrees was dan ook dat we hier wellicht te maken hadden met inteelt.
Ons koppel had inmiddels een nieuw legsel welke opnieuw twee mooie jongen opleverde. De geschiedenis leek zich echter te herhalen, beide jongen stierven toen ze ongeveer 6 tot 7 maanden oud waren. Na dit legsel besloot het koppel een tijdje rust te nemen. Hier waren wij niet kwaad om, misschien deed een tijdje rust wonderen.
De aankoop van dit koppel Jonhstone lori’s leek echter gedoemd te zijn want enige tijd daarna stierf het popje. Natuurlijk het popje! Er waren al zo weinig Johnstone lori’s, en al zeker geen popjes!
Nu hadden we alleen nog het mannetje. Hadden we nu nog jongen gehad dan was uitwisseling een optie geweest. Misschien had een vreemde bloedlijn het raadsel kunnen oplossen. Trichoglossus j. johnstoniae Trichoglossus j. johnstoniae