de Dusky lori     Viooltjeslori    Johnstone lori    Blauwstuitlori  de Blauwkaplori   beginnen met Loriculus  de Muskuslori  


De Viooltjes lori

Algemeen:
De Viooltjes of Goldie's lori ( Trichoglossus goldiei ) is een ± 20 cm grote vogel, en is overwegend groen van kleur, variërend van donker groene rug en vleugels tot lichtgroene borst en buik, waarop verticale donkergroene streepjes getekend zijn. Het kopje van deze mooie lori is paars, met rond de ogen een blauwe waas, en een purper rode bovenkop. De snavel is zwart en de pootjes grijs.
De viooltjes lori komt voor in het Weyland gebergte van Nieuw Guinea, van Geelvinkbaai, West-Irian, tot Zuidoost Papua, tot op een hoogte van 1600 tot 2200 meter.

Eigen ervaringen:
Het was reeds in 1980, dat we zes van deze mooie loris uit een import kochten, met de bedoeling één koppeltje aan te houden voor de kweek. Het voordeel hiervan is dat de vogels zelf een partner kunnen uitzoeken, waardoor men natuurlijk meer kans heeft op een geslaagde kweek. Reeds na enige dagen zagen we al een dominant mannetje, dat zijn uitgezochte vrouwtje tegen de anderen beschermde, en een zitstok als eigen territorium beschouwde waarop behalve dit vrouwtje de andere geen toegang hadden. Ook een ander paartje zocht elkaar gezelschap, terwijl de twee nog overgebleven vogels niet zo gek op elkaar bleken te zijn. Voor ons stond nu vast dat we bijna zeker twee goede koppeltjes hadden. Van de twee koppeltjes hebben we later één koppel geruild bij een andere liefhebber tegen een paartje Meyers loris (Thrichoglossus flavoviridis meyeri). Bij het overgebleven koppeltje herkent men de man aan de diepere paars gekleurde wangen en de grotere rode vlek op de schedel, terwijl die man ook qua afmeting iets forser is dan zijn vrouwtje. Als kweekruimte kregen ze de beschikking over een binnenvlucht van 1.80 m x 1.50 m bij 2 m. hoog,waarin veel wilgentakken waren aangebracht, omdat deze vogels veel klimmen en klauteren, en een natuurstam van ± 40 cm hoog als broedblok. Het zal ongeveer half maart 1982 geweest zijn dat het vrouwtje zich minder liet zien, doordat zij steeds in het nest verbleef. Ze kwam eigenlijk alleen maar even uit het nest om te eten, om daarna weer snel in haar nest terug te keren. Bij een nestcontrole op 15 april mochten we dan ook twee eitjes bewonderen die, aan de lichte kleur te zien, pas enkele dagen geleden gelegd moesten zijn. Wel moesten we even het vrouwtje van de eieren tillen, zij broedde zeer vast. Ze werd vanaf dat moment ook door het mannetje op het nest gevoerd, zodat ze tijdens de broedperiode het nest bijna niet heeft verlaten. De grote dag kwam op 4 mei, toen de eieren uitkwamen, en er twee mooie, met een wit grijzige dons bedekte jongen in het nest lagen. Er brak nu een drukke periode aan voor het ouderpaar. De eerste week was het nog alleen het mannetje wat zich op de voerbakken liet zien, waarna bij het vrouwtje en de jongen in het nest voerde, maar daarna kwam ook het vrouwtje helpen om het voer voor hun kroost aan te slepen. Op 17 mei zijn de beide jongen geringd met ringmaat 5,4 mm, met de aantekening dat er iets verschil van grootte van de jongen was, hetgeen misschien kan duiden op een mannetje en een vrouwtje. De opfok verliep verder zonder problemen. De ouders voerden goed, en het viel me op dat de oudervogels, na ± 2 weken niet veel op het nest verbleven. Ook het popje, wat tot dan toe dag en nacht op het nest zat, verbleef na die 2 weken ook niet meer op het nest. Het was al 22 juli alvorens ik de jongen hij de ouders vandaan haalde. De oudervogels hadden toen alweer twee eieren. De reden dat ik de jongen zolang bij de ouders heb gelaten is dat we totaal geen agressie bij de ouders hebben waargenomen, tegenover hun volwassen jongen, ook niet van het mannetje, toen het vrouwtje alweer aan een nieuw legsel was begonnen. De twee zelfstandige jongen hebben we eerst een week in een ruime broedkooi gehouden zodat ze wat beter te observeren waren, waarna ze een eigen vlucht kregen. Van het tweede legsel kwam op 8 augustus één jong uit, en het andere eitje was na enige dagen verdwenen. Na deze lori op 20 augustus geringd te hebben, verliep de opfok net zo voorspoedig als bij de eerste twee, waarbij trouwens nog steeds een verschil van grootte is waar te nemen,en de grootste een iets intensievere paarse wangkleur en grotere rode vlek op de schedel heeft. Tenslotte dan nog het voedsel van deze loris die bij ons precies hetzelfde is als hetgeen onze andere loris krijgen. Dagelijks een portie van een droogmengsel van bambix, brinta, kindermeel, profiler, druivensuiker, kalk, en stuifmeel. Dit droogmengsel wordt met water en honing vermengd tot een smeuïge loribrei. Voorts krijgen ze een andere onmisbare voedselbron nl. vers fruit. Dit fruit, appel, peer, banaan, druiven, meloen, mango, sinaasappel, enz. en wat groenvoer, krijgen ze in blokjes gesneden in een bak van ongeveer 15 cm doorsnede. Over dit fruit gaat dan nog wat claus insectenvoer en wat zaden. Voorts mag schoon badwater niet ontbreken, omdat loris veel baden, en verse wilgentakken om aan te knagen evenmin.

  Trichoglossus goldei

 


     
x